Kumārajīva

KUMĀRAJĪVA (343-413; alternatieve data: 350-409) was bekend als de stichter van de Sanlun (“drie verhandelingen,” i. e., Mādhyamika) school in China en als een bedreven vertaler in het Chinees van vele belangrijke en invloedrijke Mahāyāna Boeddhistische teksten.Kumārajīva werd geboren in de Centraal-Aziatische stad Kuchā. Zijn vader was een emigrant Indiase brahman en zijn moeder een Kucheaanse prinses. Tijdens de vierde eeuw was Kuchā een belangrijke stad langs de noordelijke handelsroute van de Zijderoute die China met India en het Westen verbond. Er is voldoende getuigenis van de reisverhalen van Faxian en Xuanzang dat steden langs deze route bolwerken waren van Hīnayāna Boeddhisme, vooral de sarvāstivāda sekte, die vanuit het centrum in Kashmir was geïntroduceerd. De werken van deze sekte waren dus de eerste die hij studeerde.

Kumārajīva werd een novice monnik op de vroege leeftijd van zeven jaar. Zijn moeder, die non wilde worden, verliet ook het lekenleven in deze tijd. Hij besteedde de volgende twee jaar aan het bestuderen van de Āgama ‘ s en Abhidharma teksten. Toen hij negen was ging hij met zijn moeder naar Noord-India (naar Chipin, in Kashmir), waar hij drie jaar lang de Dirghāgama, de Madhyamāgama en de Kṣudraka bestudeerde onder de meester Bandhudatta. Om twaalf uur vertrok hij weer met zijn moeder naar Kuchā. Onderweg stopten ze meer dan een jaar in Kashgar, waar hij de jñānaprasthāna Śāstra bestudeerde, een sarvāstivādin Abhidharma verhandeling, evenals de Veda ‘ s en de vijf wetenschappen (grammatica, logica, metafysica, geneeskunde, en de Kunsten en ambachten). In Kashgar ontmoette hij de Mahāyānist Sūryasoma, die hem bekeerde tot de Mahāyāna. In Kashgar ontmoette Kumārajīva ook de dharmagupta meester Buddhayaśas. Na zijn terugkeer naar Kuchā kreeg Kumārajīva op zijn twintigjarige leeftijd de volledige wijding in het Koninklijk Paleis. Hij studeerde de Vinaya van de sarvāstivāda school bij de Noord-Indiase meester Vimalākṣa. Belangrijker echter, hij spendeerde de volgende twintig jaar zich te concentreren op Mahāyāna sūtra s en Śāstra s. zijn biografie meldt dat hij de drie Śāstra ‘ s van Nāgārjuna en Āryadeva bestudeerde die later de centrale teksten van de Sanlun traditie zouden worden, die hij allemaal in Kashgar zou hebben verkregen. Een Chinees verslag van 379 vermeldt Kumārajīva als een volleerde monnik, en het is uit deze periode dat zijn roem China bereikt.

Kumārajīva ‘ s vertalingen

de Chu sanzang ji ji (vroege zesde eeuw) schrijft vijfendertig werken in 294 fascinieken toe aan Kumārajīva. Het centrale corpus van deze werken wordt goed bevestigd door eigentijdse voorwoorden, en datums van vertaling zijn bekend voor drieëntwintig titels. De kern van de werken vertaald door Kumārajīva laat zien dat zijn belangrijkste interesse was in de Śūnyavādin sūtra ‘ s, in het bijzonder die van de Prajñāpāramitā klasse, en de mādhyamika verhandelingen. Zijn interesses waren echter katholiek en hij vertaalde ook pietist, Vinaya en dhyāna sūtra ‘ s, evenals de Satyasiddhi Śāstra, een bahuśrutīya verhandeling van Harivarman.Hoofd van de vertaalde werken van Śūnyavādin waren de Pañcaviśśati (T. D. nr. 223), de Aṣṭasāhasrikā (T. D. nr. 227), de Vimalakīrtinirdeśa (T. D. nr. 475), de Vajracchedikā (T. D. nr. 235), en de Prajñāpāramitāhṛdaya (T. D. nr. 250). Hij vertaalde ook de drie mādhyamika verhandelingen die de basis vormen voor de Sanlun school in China en Japan: de Mūlamadhyamaka Śāstra, een verhandeling bestaande uit verzen van Nāgārjuna en commentaar van Piṅgala (T. D. no. 1564; Chin., Zhong lun) ; de Śata Śāstra van Āryadeva (T. D. no.1569; Chin. Bo lun); en de Dvādaśanikāya Śāstra van Nāgārjuna (T. D. nr. 1568; Chin., Shier men lun). Drie andere belangrijke mādhyamika verhandelingen die hij vertaalde zijn de Daśabhūmivibhāṣā Śāstra toegeschreven aan Nāgārjuna (T. D. no. 1521), de faputixisnjing Lun toegeschreven aan Vasubandhu (T. D. no. 1659), en de Mahāprajñāpāramitā Śāstra toegeschreven aan Nāgārjuna (T. D. no. 1509; Chin., Da zhidu lun). Vier verhandelingen over meditatie worden toegeschreven aan Kumārajīva; de belangrijkste onder hen is de Zuochan sanmei jing (T. D. nr. 614), ook wel de Bodhisattvadhyāna genoemd. De belangrijkste Vinaya werken die hij vertaalde zijn de Sarvāstivāda Prātimokṣa Sūtra en, volgens de traditie, de Pusajieben (Bodhisattva-pratimokṣa). Zijn piëtistische vertalingen omvatten de Saddharmapuararīka (T. D. nr. 262), de kleinere Sukhāvativyūha (T. D. nr. 366), en twee Maitreya teksten (T. D. nrs. 454 en 456). Hij vertaalde ook de Daśabhūmika (T. D. nr. 286) in samenwerking met zijn vriend uit Kashgar Buddhayaśas. Al deze teksten werden centraal gesteld in de Chinese boeddhistische gemeenschap.Kumārajīva, zijn hoofdassistenten en het vertaalbureau ontwierpen nieuwe transcripties van namen en Boeddhistische technische termen en gebruikten geïnterpoleerde glosses wanneer specifieke woorden niet voldoende vertaald konden worden. Hoewel zijn vertalingen verraad onzorgvuldig bewerken, ze zijn beroemd om hun bloemrijke en elegante stijl. Ze mogen niet de oorspronkelijke woorden van een Sanskriet sūtra behouden, maar ze geven duidelijk de bedoelde betekenis uit.Het belangrijkste bewijs voor Kumārajīva ‘ s religieuze gedachte is te vinden in het commentaar op de Vimalakīrtinirdeśa (T. D. nr. 1775) en de verzameling correspondentie (T. D. nr. 1856) tussen Huiyuan en Kumārajīva. Uit deze werken is duidelijk dat Kumārajīva een ongekwalificeerde aanhanger was van de mādhyamika traditie. Zijn kritiek op de oorzaak is hetzelfde als die van Nāgārjuna.

er is geen bewijs dat Kumārajīva bedoeld was om een afstamming te vinden. Toch was zijn invloed in China, Korea en Japan alomtegenwoordig. Hoewel de Saddharmapuararīka sūtra, de kleinere Sukhāvativyūha sūtra en de vimalakīrtinirdeśa a sūtra eerder door dharmarakṣa waren vertaald, stimuleerden kumārajīva ‘ s meer accurate vertalingen de groei en populariteit van het Mahāyāna boeddhisme in het Verre Oosten nog meer.: De Saddharmapuṇḍarīka Sūtra werd de basistekst van de Tiantai school en, later, van de Nichiren-sekte in Japan; de Kleinere Sukhāvativyūha werd één van de drie belangrijkste teksten van het Reine Land-Traditie; de Vajracchedikā blijft beschouwd worden als een fundamentele tekst van de Chan school; de Da chidu lun was zeer invloedrijk in de Zhenyan of Shingon (ik. e., Vajrayāna) school in China en Japan, terwijl de Vimalakirtinirdesa gepopulariseerd het ideaal van de bodhisattva. Andere van zijn vertalingen hielpen ook de geschiedenis van het middeleeuwse Chinese Boeddhisme vorm te geven. De Satyasiddhi Śāstra, waar veel Commentaren op waren geschreven, werd het meest bestudeerde en invloedrijke werk in het zuiden tijdens de Zuidelijke Qi (479-502) en Ling dynastieën (502-557), en de Sarvāstivāda Vinaya werd een van de twee Vinaya systemen die in China en Japan heersen. De oude lijn transmissie van de sanlun school bleef bestaan tot de tijd van Jizang (549-623) van de Sui-dynastie (581-618). Samengevat luidde Kumārajīva ‘ s activiteiten de tweede periode van Chinese vertalingen in (vijfde en zesde eeuw), gekenmerkt door grotere nauwkeurigheid en wijdverbreide invloed in de Chinese boeddhistische gemeenschap.Zie ook

Buddhism, Schools of, article on Chinese Buddhism; Buddhist Books and Texts; Huiyuan; Mādhyamika; Nāgārjuna; Sengzhao.

Bibliografie

de standaard traditionele weergave van het leven van Kumārajīva is te vinden in Huijiao ‘ s Gaoseng zhuan (T. D. nos. 50. 330–333). Voor een Duitse vertaling van de biografie, zie Johannes Nobel ‘s” Kumārajīva, ” Sitzungsberichte der preussischen Akademie der Wissenschaften 26 (1927): 206-233. Erik Zürcher ‘ s the Buddhist Conquest of China, 2 vols. (1959; herdruk, Leiden, Nederland, 1979), behandelt de ontwikkeling van het boeddhisme in China tot het einde van de vierde eeuw en biedt zo een onschatbare introductie tot het religieuze en intellectuele klimaat dat Kumārajīva tegenkwam bij het bereiken van Chang ‘ an. Voor een algemeen overzicht van kumārajīva ‘s carrière zie Kenneth Chen’ s Buddhism in China: A Historical Survey (Princeton, N.J., 1964). Andere kritische discussies zijn:

Kimura Eiichi, ed. Eon kenkyu. 2 vols. Kyoto, 1960-1962. Bevat een vertaling van kumārajīva ‘ s correspondentie met Huiyuan.Koseki, Aaron K. “‘Later Mādhyamika’ in China: Some Current Perspectives on the History of Chinese Prajñāpāramitā Thought.”Journal of the International Association of Buddhist Studies 5 (1982): 53-62.

Liebenthal, Walter. “Chinese Buddhism during the Fourth and Fifth Centuries.”Monumenta Nipponica 11 (April 1955): 44-83.Liebenthal, Walter, ed. en trans. Het boek van Zhao. Beijng, 1948.Robinson, Richard H. Early Mādhyamika in India and China. New Delhi, 1976.

Sakaino Koyo. Shina bukkyo seishi (1935). Tokio, 1972. Zie blz. 341-417.

Tang Yongtong. Han Wei liangjin Nanbeichao fojiao shi. Shanghai, 1938.

Tsukamoto Zenryu. “De data van Kumārajīva en Sengzhao opnieuw onderzocht.”Jinbum kagaku kenkyusho (Silver Jubilee Volume, 1954): 568-584.

Tsukamoto Zenryu, ed. Joron kenkyu. Kyoto, 1955.

Dale Todaro (1987)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.